Ga naar de content
Nieuws
Sandy's blog
Blog 22

Sandy over borstkanker – “Carboplatin is ook een echte rotzak.” Ik moet lachen. “Ja,” zeg ik, “het is een echte hufter.”

19 maart 2026

Sandy van den Brink, eigenaresse van schoonheidssalon Silk Sand te Soest en de vrouw van radiomaker Jan Paparazzi, zit middenin haar behandeltraject voor borstkanker in het in borstkankerzorg gespecialiseerde Alexander Monro Ziekenhuis. 

In een openhartige blogreeks over haar traject, de zorg en het dagelijks leven, deelt Sandy haar ervaringen om ook anderen te steunen die met borstkanker te maken hebben. Lees het tweeëntwintigste blog van Sandy hier:

Vol frisse tegenzin zit ik naast Jan in de auto richting het Alexander Monro Ziekenhuis. Zal ik dit keer wel de dubbele kuur krijgen?

Ik zeg tegen Jan: “Op de terugweg hoef ik nog maar zeven keer aan het infuus.” Ik zie zo op tegen het prikken en aanleggen van het chemo-infuus omdat mijn aderen inmiddels echt zeer doen. (Dit komt omdat de chemo aderen gevoeliger maakt door o.a. irritatie van de vaatwanden en littekenvorming).

Aangekomen bij de dagbehandeling zie ik een paar bekende gezichten, mijn chemocollega’s. Met één van hen heb ik inmiddels ook buiten het ziekenhuis contact, heel gezellig. Hoewel ik de liefste vriendinnen, familie en man heb merk ik dat ik het heel fijn vind om soms met vrouwen te praten die hetzelfde pad hebben bewandeld of bewandelen. Ondanks de verschillende soorten borstkanker en behandelingen daarvoor, is er toch vaak herkenning op diverse vlakken.

Mijn chemovriendin is net klaar, ik moet nog beginnen. We praten vluchtig even bij voordat ik weer in mijn favoriete chemostoel met uitzicht op de parkeerplaats ga zitten.

Na even de week doorgesproken te hebben wat betreft bijwerkingen, legt de oncologisch verpleegkundige voorzichtig het infuus aan. Het valt mee dit keer. Gelukkig. Mijn bloedwaarden moeten voorafgaand voor de chemokuur nog even worden gecheckt waarvoor er buisjes met bloed gevuld moeten worden via mijn infuus. Buiten dat mijn aderen zeer doen en inmiddels lastig te prikken zijn, geven ze ook moeilijk bloed. Het laatste buisje wil niet meer. Wat mijn verpleegkundige ook probeert: geen bloed. Samen proberen we van alles, ze duwt op het infuus, ik verplaats mijn arm… En dan… uiteindelijk vind ik een positie waardoor er weer wat gebeurt. Scheef hangend in de stoel, met mijn arm bungelend naar beneden, vult het buisje zich druppel voor druppel. Ik voel mij net een ouderwets filterkoffieapparaat. Na 10 minuten zit er voldoende bloed in.

De buisjes worden meegenomen en onderzocht. Ik hoop dat de waarden goed genoeg zijn, en dat de kuur door kan gaan.  Maar dan komt de verpleegkundige terug. “Op basis van deze waarden mag je niet starten,” zegt ze voorzichtig. “Ik moet gaan overleggen met de oncoloog.”

Als ze een half uur later vergezeld wordt door een ‘witte jas’ weet ik hoe laat het is. De supervriendelijke oncoloog zegt: “Op basis van deze waarden is het echt niet verstandig om de kuur door te laten gaan.” Teleurstelling. Ik wil dóór. Ik doe een poging: “Kan ik dan niet alleen de Paclitaxel krijgen zoals vorige keer?” Maar nee, het kan echt niet. De Carboplatin (één van de vier soorten chemo die ik krijg) van vier weken geleden, die dus een week geleden ervoor zorgde dat ik maar een gedeelte van kuur mocht ondergaan, heeft mijn bloedwaarden helemaal in de war geschopt. “Je wilt voorkomen dat je straks weken geen chemo kunt krijgen,” zegt de oncoloog.

Weken geen chemo betekent stilstaan, uitstel van operatie, nog langer kaal zijn en dat het nog langer duurt voordat ik mijn leven weer kan oppakken.

De oncoloog vervolgt: “De AC-kuren komen met bijwerkingen en zijn zwaar maar de Carboplatin is ook een echte rotzak.”
Ik moet lachen. “Ja,” zeg ik, “het is een echte hufter.”

Om de feestvreugde van deze dag te verhogen krijg ik, omdat mijn HB ondanks de bloedtransfusie van twee weken geleden nog steeds veel te laag is, ook nog te horen dat ik morgen weer naar het Alexander Monro Ziekenhuis terug mag komen voor nog een bloedtransfusie, dit keer twee zakjes bloed.

Omdat ik zo een hekel heb aan het prikken van het infuus, besluiten we deze te laten zitten voor morgen. Het infuus wordt afgesloten met een dopje en goed omwikkeld met verband. Thuis trek ik hem er bijna uit omdat ik zo lomp ben een paar beterschapskaartjes uit mijn buitenbrievenbus te vissen zonder het sleuteltje te pakken om het deurtje te openen. Normaal pas ik makkelijk met mijn hand in die gleuf maar nu met het uitsteeksel niet. Au!

Nadat ik in de ochtend met een pedaalemmerzak om mijn pols (infuus mag niet nat worden) heb gedoucht, vertrek ik voor inmiddels de derde keer deze week richting Bilthoven. Ik ga alleen. Jan heeft een zakelijke lunch en daarna een gezellige borrel. Voor allebei had hij zich zonder dat ik het wist afgemeld om bij mij te zijn, maar ik sta erop dat hij gaat en app zijn vriend en collega dat hij gewoon komt. Hij houdt van zijn werk en ik gun hem een dag vol gezelligheid en energie en even geen ziekenhuisgedoe.

Ik voel me regelmatig schuldig naar de mensen om mij heen dat ik voor deze turbulentie zorg en niet de vrouw, moeder, dochter en vriendin kan zijn, die ik normaal gesproken ben.

Tijdens de bloedtransfusie voel ik me niet lekker worden. Hoofdpijn. Koud. Zorgvuldig worden mijn temperatuur en bloeddruk gecontroleerd en ondertussen word ik voorzien van een soepje, broodje en een sapje door de altijd vrolijke, lieve en aardige gastvrouwen. Het is een lange zit als je je niet lekker voelt. Na vier uur in de stoel zit de laatste druppel bloed erin en word ik verlost van mijn infuus. Met een griepgevoel van top tot teen stap ik in mijn auto richting huis.

Deel dit nieuwsartikel