Ga naar de content
Nieuws
Sandy's blog
Blog 27

Sandy over borstkanker – “Een mooie bos bloemen wordt bezorgd. “Lieve Sandy, bijna klaar met je behandelingen. Ik hoop dat je hierna snel je leven weer kunt oppakken.” Superlief. Maar ik breek. Bijna klaar?”

21 april 2026

Sandy van den Brink, eigenaresse van schoonheidssalon Silk Sand te Soest en de vrouw van radiomaker Jan Paparazzi, zit middenin haar behandeltraject voor borstkanker in het in borstkankerzorg gespecialiseerde Alexander Monro Ziekenhuis. 

In een openhartige blogreeks over haar traject, de zorg en het dagelijks leven, deelt Sandy haar ervaringen om ook anderen te steunen die met borstkanker te maken hebben. Lees het zevenentwintigste blog van Sandy hier:

Bijna klaar?

Twee dagen na mijn elfde chemokuur loop ik buiten mijn ochtendrondje. Ik probeer, als het lukt, dit er toch in te houden. De ene keer is het een klein blokje om, de andere keer lukt een langere wandeling. Waar ik vóór de kanker fris en energiek terugkwam van mijn ochtendroutine, voelt het nu vaak alsof ik een mega work-out met een personal trainer heb gedaan. Afgemat en moe, maar toch denk ik iedere keer: ‘Zo, die is binnen, deze wandeling heb ik gedaan.’

Deze ochtend kom ik een bekende tegen. “Zo, San,” zegt ze vrolijk, “het gaat goed met je hè?” Ze heeft me een paar keer zien lopen en trekt daaruit de conclusie dat het wel lekker gaat. Ik glimlach terug. Na terugkomst ga ik ontbijten en bedenk wat we vanavond gaan eten. Daarvoor moet ik even langs een aantal winkels.

Ik voel me niet fit, maar ga toch op pad. De muren komen ook af en toe echt op mij af dus wil ik even het huis uit.

De aardige verkoopster van de eerste winkel waar ik binnenloop, die ik al maanden niet gezien heb, vraagt hoe het met me gaat. Daarna vraagt ze welke soort kanker ik heb.
“Borstkanker,” zeg ik. “O,” zegt ze, “dat heeft mijn dochter ook. Vijf jaar geleden begonnen, beide borsten geamputeerd. Het zit nu in haar wervels.”
Ik reken af, ze wenst me sterkte en ik ga weg met een rot gevoel. Ik begrijp haar, dit is een moeder die verdrietig en bezorgd is om haar dochter, die even haar verhaal kwijt moet. Maar van dit soort verhalen knap ik niet op. Integendeel.

Bij de bloemenzaak waar ik langs loop zie ik leuke mosbollen. In mijn hoofd zie ik ze al mooi op een schaal liggen. Ik loop even de winkel in om te vragen of ze ook binnen goed blijven of dat ze echt voor buiten zijn. Al jaren kom ik hier, maar ben net als bij de eerste winkel, hier ook al een tijd niet meer geweest. “O, ik herken je stem, maar ik kan je niet plaatsen” zegt de vriendelijke verkoopster. En zo gaat het nog even door, tot ik zeg: “Ja… dit is wat chemo met je doet.” Dan ineens is er herkenning. “O, jij bent het.”

De lieve dame schrikt enorm en wil weten hoe lang ik al ziek ben, en hoe ik het ontdekt heb. Ondertussen staan er twee andere mensen mee te luisteren. Nog steeds van slag door het verhaal wat ik eerder hoorde merk ik dat dit, hoe lief en betrokken bedoeld, helemaal niet fijn voelt.

Sinds mijn diagnose voel ik me regelmatig een soort attractie. Mensen staren naar mij omdat mijn uiterlijk veranderd is, wat mij echt onzeker maakt. Ze willen alles weten en vragen erop los. Ze realiseren zich niet dat het mij al heel veel energie kost om overeind te blijven als ik mezelf buiten mijn huis begeef, bijvoorbeeld door muziek in een winkel of gesprekken door elkaar heen. Simpelweg alles wat er om mij heen gebeurt, lijken mijn hersenen niet goed aan te kunnen en dan moet ik ook nog vragen beantwoorden over mijn gezondheid.

Als ik weer thuis ben, voel ik me verdrietig. Verdrietig dat ik alweer zo moe ben, verdrietig om mijn uiterlijk, het feit dat ik niet eens meer herkend word en verdrietig door alles wat er in dat ene half uur gebeurde.
Thuis kruip ik meteen onder een deken op de bank. In de middag krabbel ik iets op en begin zittend aan de voorbereiding van het avondeten. Sinds de Paclitaxelkuren kan ik geur technisch weer koken maar mijn smaak is nog steeds niet oké.

Als ik daarmee klaar ben, schrijf ik de verjaardagskaart voor mijn bijna jarige zoon. Maar het gaat helemaal niet lekker. Mijn vingers voelen naar en mijn handschrift is slordig, veroorzaakt door Neuropathie, een bijwerking van de Paclitaxel. Al weken word ik geplaagd door gemene prikken in mijn voeten en onderbenen en soms in mijn handen. Af en toe heb ik gevoelloze vingers, zere vingertoppen en nagels. Sommige nagels verkleuren ook nog eens bruin door de chemo. Vreselijk. Het ziet eruit alsof ik een verstokte roker ben met nicotinevingers.

Ik schrik van mijn handen en denk gelijk aan mijn werk en de salon. Kan ik straks nog een strakke eyeliner tatoeëren? Of überhaupt een gezichtsbehandeling uitvoeren? Ik maak me er soms echt zorgen om. En die slopende vermoeidheid beangstigt me ook regelmatig. Gaat dit ooit nog over?

Dan gaat de bel. Een mooie bos bloemen met een kaart wordt bezorgd. “Lieve Sandy, bijna klaar met je behandelingen. Ik hoop dat je hierna snel je leven weer kunt oppakken.” Superlief. Maar ik breek. Bijna klaar?

Omdat ik de chemo kan aftellen, betekent dat nog niet dat ik bijna klaar ben. En hoewel ik positief ben en vertrouwen heb in het behandelend team is er aan de andere kant ook onzekerheid en angst. Er komt nog een operatie. Hoe kom ik daaruit? Heeft de chemo voldoende zijn werk gedaan? Hoe ziet mijn borst er straks uit? Heb ik überhaupt mijn borst nog? Daarna volgt er nog een bestralingstraject. Ook hier kunnen bijwerkingen aan kleven. En krijg ik nog nabehandeling van 24 weken met chemotabletten? Als dit laatste nodig is dan ben ik nog een jaar vanaf nu zoet met behandelingen. Laat staan het herstel daarvan.

Inmiddels heb ik van diverse vrouwen die ‘klaar’ zijn gehoord dat ze zelfs jaren later nog altijd geconfronteerd worden met restklachten. Onzichtbaar voor de buitenwereld, want die zien de vermoeidheid en de pijnklachten niet aan de buitenkant.

Ik merk dat mensen om mij heen regelmatig zelf invullen hoe ver ik ben in mijn behandelingen. Dit wordt gebaseerd op trajecten van anderen of vanuit de gedachte dat het wel bijna afgerond moet zijn omdat ik al een aantal maanden bezig ben. Hoe graag ik dit zelf ook wil, ik ben er voorlopig echt nog niet. Voor mijn gevoel heb ik straks met het afronden van de chemotherapie de eerste horde genomen. Er zullen nog meerdere volgen voordat ik over de finish kan gaan.

Als Jan begin van de avond vrolijk en vol energie thuiskomt uit zijn werk en vraagt hoe mijn dag was, besluit ik niet te zeggen wat ik vandaag heb meegemaakt. Ik zeg “Oh niks bijzonders, goed hoor” en ik vervolg met “kom we gaan lekker eten”. Tijdens het eten wijs ik hem op de mooie bos bloemen. “Vandaag bezorgd, mooi zijn ze hè?”

Deel dit nieuwsartikel