Sandy over borstkanker – “Het gaat niet meer, het moet eraf. Met een zwaar hart stappen Jan en ik in de auto richting de kapsalon.”
25 februari 2026
Sandy van den Brink, eigenaresse van schoonheidssalon Silk Sand te Soest en de vrouw van radiomaker Jan Paparazzi, zit middenin haar behandeltraject voor borstkanker in het in borstkankerzorg gespecialiseerde Alexander Monro Ziekenhuis.
In een openhartige blogreeks over haar traject, de zorg en het dagelijks leven, deelt Sandy haar ervaringen om ook anderen te steunen die met borstkanker te maken hebben. Lees het negentiende blog van Sandy hier:
Aangezien ik met mijn type chemokuren grote kans heb om mijn haar te verliezen, besloot ik dankbaar gebruik te maken van het aanbod van een goede vriend van mij. Hij is kapper, heeft een prachtige salon en bood aan om mij te helpen met mijn haar en het uitzoeken van haarwerken.
Ik was zelf al wat aan het rondkijken op internet. Wat zijn die dingen duur. Voor een haarwerk van echt haar met een beetje lengte ben je al snel zo’n €3.000,- kwijt. De basisverzekering vergoedt €482,50, gelukkig krijg ik via mijn aanvullende verzekering nog eens €500,- extra. Dat scheelt, maar toch… Ik dacht gelijk: wat als je dat geld niet hebt?
Je wordt ziek en krijgt al zoveel te verduren en dan komen er ook nog zulke kosten bovenop. Het is niet alsof je even een pruik bij de carnavalswinkel haalt. Haar is zo ontzettend bepalend voor je uiterlijk en dus ook voor je zelfbeeld.
Als je chemo krijgt en je haar uitvalt, heb je vier opties: Je doet niks en gaat kaal door het leven. Optie twee: sjaaltjes, petten of mutsjes. Optie drie: een haarwerk. En de vierde optie is een Toupim-haarband, een stoffen band waaraan je eigen haar is geweven.
Die laatste optie kost rond de €1.000,- en werkt het best als je vóór je eerste kuur je haar laat afknippen omdat het dan nog niet is aangetast door de chemo. Ik heb daar even over gedacht, maar dan moet je dus altijd naast je haarband iets op je hoofd dragen. Uiteindelijk heb ik besloten om voor een haarwerk te gaan.
Mijn lieve vriend heeft verschillende exemplaren besteld en buiten de salontijden houden we een privé-passessie. Gelukkig zat er eentje tussen die precies lijkt op mijn eigen coiffure. Dit moet ‘m worden. Er moeten nog wat aanpassingen gedaan worden maar dat komt helemaal goed verzekert hij me. Overigens heb ik uiteindelijk voor een haarwerk met synthetisch haar gekozen. Deze zijn vriendelijker geprijsd en makkelijker te onderhouden. (Tip vraag vooraf toestemming bij je zorgverzekering voor een zogenoemd hulpmiddel anders krijg je net als ik eerst een afwijzing voor vergoeding als je gaat declareren, ondanks de verwijsbrief voor een haarwerk vanuit het ziekenhuis. Daarnaast moet je haarwerkspecialist aangesloten zijn bij een door de verzekering erkende branchevereniging. Uiteindelijk is het bij mij na veel gesteggel goed gekomen, maar je zit hier niet op te wachten).
Na de eerste kuur, als ik alle bijwerkingen heb getrotseerd, krijg ik last van haarpijn. Het voelt alsof ik een te strakke paardenstaart draag maar dan over mijn hele hoofd. Een teken dat je haar uitvalt.
Mijn haar wordt dunner en mijn slapen zijn inmiddels kaal. Opsteken of een paardenstaart lukt hierdoor niet meer; ik lijk op een gabbervrouw uit de jaren 90. Onder deze dames was het ooit mode om de zijkanten weg te scheren en de rest van het haar te dragen in een staart. (En laat ik nou net nooit van gabbermuziek of dat kapsel gehouden hebben.)
De tweede chemokuur dient zich aan. Voor mijn gevoel is het kansloos om door te gaan met de coldcap. Met aanmoediging van Jan besluit ik dan ook te stoppen. Wat een verademing om het infuus in te laten lopen zonder die vreselijke kou op mijn hoofd. En ik ben ook nog eens ruim twee uur sneller klaar.
Acht dagen na mijn chemo-infuus voel ik me weer een beetje mens. De tweede kuur is goed verlopen. Wel bijwerkingen in de vorm van aften, misselijkheid, botpijn en hartkloppingen maar godzijdank, op wat acceptabele steken in mijn borst en oksel na, niet in de hevigheid als bij kuur één. Mijn lieve oncoloog had gelijk, door het verlagen van de dosering van de chemo naar 75% heb ik gelukkig minder last. Of zou het mede komen doordat de Pelgraz injectie maar voor de helft in mijn been is gegaan? Mijn stoere prikvriendin deed hetzelfde trucje als de vorige keer maar de vloeistof bleef voor de helft op mijn been liggen. Na overleg met het AMZ hebben we besloten dat een nieuwe prik halen niet hoefde omdat we anders niet wisten hoeveel ik daadwerkelijk zou binnenkrijgen. Wat is het toch fijn dat je 24/7 met het ziekenhuis kunt bellen en dat de lijntjes zo kort zijn.
Helaas gaat het wat betreft mijn haar met een rap tempo bergafwaarts. Overal losse haren; op de grond, in mijn bed, op mijn kussen, op en aan de binnenkant van mijn kleding werkelijk overal vind ik ze. Mijn haren wassen is een drama, doorkammen nog erger. Er blijft niks van over, voor mijn gevoel. Op een gegeven moment haal ik mijn hand door mijn haar en heb ik een grote pluk vast. Echt verschrikkelijk om te zien.
’s Nachts word ik wakker van het geprik van losse haren op mijn kussen. Het gaat niet meer, het moet eraf. In de ochtend app ik mijn kappervriend dat het zover is. Met een zwaar hart stappen Jan en ik op zondagochtend in de auto richting de kapsalon. Ook zijn vrouw, een goede vriendin van mij, is erbij. We drinken eerst wat, ik merk dat ik het moment van afscheren aan het uitstellen ben. Maar dan is het tijd. Ik moet eraan geloven.
Jan gaat achter me zitten op een bankje en kijkt geëmotioneerd toe. Mijn vriend begint mijn haar voorzichtig te vlechten en dan, knip – daar gaat mijn lange haar. Een paar tellen later heb ik de vlecht in mijn hand. Ik kijk naar de foeilelijke, scheve, ultrakorte boblijn. Geen weg meer terug. Dan begint hij met de tondeuse, en start aan de achterkant, zodat het minder confronterend is. Wat een rotgeluid komt er uit dat ding. Mijn haren vallen op de grond. Dan is de voorkant aan de beurt. Ik dep de opkomende tranen in mijn ooghoek weg met een stukje keukenrol, wat ik uit voorzorg meegenomen heb, want ik wist dat ik misschien wel wat tranen zou laten. Buiten de emoties moeten we ook lachen om de achterlijke kuif die hij aan de voorkant heeft gemaakt.
Even later kijk ik in de spiegel en zeg, half grappend:
“Ik lijk wel op een kiwi.”
Godzijdank blijk ik naast mijn kiwi-look gelukkig een mooie ronde schedel te hebben. Geen deuken, geen rare bulten. Dat is dan weer een meevaller. Je weet immers van tevoren niet wat er onder je haar vandaan komt.
Mijn kappervriend zet mijn haarwerk bij mij op, en ik zie er weer normaal uit, alleen dan met perfect gestylde lokken. Thuis doe ik mijn haarwerk weer af. Mijn hoofd is gevoelig en pijnlijk. Wat is het koud zo zonder haar. Elke keer als ik in de spiegel kijk, schrik ik. Maar ik voel ook een opluchting dat het achter de rug is.
De afgelopen tijd hebben mensen mij een aantal keren geprobeerd op te beuren met de woorden: “Het is maar haar, het groeit wel weer aan.” Of: “Het belangrijkste is dat je weer beter wordt.”
Lief bedoeld, dat weet ik. Maar wat een dooddoeners.
Wat ik liever had gehoord? “Ik begrijp dat je het moeilijk vindt.” Of “Ik vind het erg voor je San”. Erkenning voor wat ik voelde, het niet wegwuiven of kleiner maken.
Ik daag dan ook iedereen uit die ooit tegen iemand met haarverlies zegt “Het is maar haar”: Pak zelf een tondeuse, scheer je hoofd kaal, trek je wimpers uit en scheer je wenkbrauwen af. Kijken of het dan nog steeds “maar haar” is als het jezelf betreft.
En dan heb je ook nog de mazzel als je het zelf afscheert dat je haar direct weer aangroeit. Bij behandeling met chemotherapie weet je namelijk niet wanneer dat moment weer gaat komen, daarnaast weet je niet of je dezelfde kleur of structuur terugkrijgt.