Sandy over borstkanker – “Na de tweede dag bestraling is mijn borst rood, warm en voelt het van binnen alsof er een colonne mieren aan het marcheren is.”
Sandy over borstkanker – “Na de tweede dag bestraling is mijn borst rood, warm en voelt het van binnen alsof er een colonne mieren aan het marcheren is.”
7 juli 2026
Sandy van den Brink, eigenaresse van schoonheidssalon Silk Sand te Soest en de vrouw van radiomaker Jan Paparazzi, zit middenin haar behandeltraject voor borstkanker in het in borstkankerzorg gespecialiseerde Alexander Monro Ziekenhuis.
In een openhartige blogreeks over haar traject, de zorg en het dagelijks leven, deelt Sandy haar ervaringen om ook anderen te steunen die met borstkanker te maken hebben. Lees het zesendertigste blog van Sandy hier:
Na een paar weken bijkomen van de operatie is stap drie aangebroken; hoofdstuk bestraling. Vijf werkdagen achter elkaar zal ik bestraald worden. Ik zal de dosis straling die normaal in vijftien keer wordt gegeven in vijf keer krijgen en dit vijf werkdagen achter elkaar, startend op donderdag. Hierdoor heb ik dus tussendoor een weekendbreak, wat ik wel een fijn idee vind.
Alle dagen word ik vergezeld door vriendinnen en de laatste dag zal mijn lief met me meegaan. Tot nu toe heb ik vrijwel alle aangeboden hulp om met mij mee te gaan naar (ziekenhuis)afspraken, afgeslagen maar deze aankomende dagen vind ik het fijn en gezellig aangezien je langer in de auto zit dan de daadwerkelijke bestraling zelf duurt.
En zo ga ik samen met mijn vriendin voor bestraling nummer één naar het UMC. We kunnen voor de deur parkeren, echt ideaal. Voor de hele week krijg ik een parkeerkaart op kenteken. Nadat ik me heb aangemeld nemen we plaats in een grote wachtruimte met allemaal deuren. Achter iedere deur staat een bestralingsapparaat. Wat een diversiteit aan mensen ten opzichte van het Alexander Monro Ziekenhuis. Daar kom je eigenlijk alleen vrouwen tegen met borstkanker. Hier zit alles door elkaar. Jong, oud, mannen, vrouwen, allemaal mensen bij wie kanker het leven is binnengedrongen en die er mee moeten dealen. Terwijl mijn vriendin en ik wachten wordt er iemand op een brancard naar binnen gereden voor een bestraling. Liefdevol wordt ze bijgestaan door het ambulancepersoneel. Het maakt diepe indruk op me.
Dan is het zover: mijn eerste bestraling. Ik word opgehaald en mag me uitkleden in een klein hokje. Via een deur aan de andere kant van het hokje mag ik meelopen. Gelukkig heb ik op advies van de telefoniste een omslagdoek mee die ik om me heen kan slaan. Allereerst zie ik een ruimte met beeldschermen waarop de bestralingsruimte te zien is. Vervolgens lopen we door een gang die uitkomt in de ruimte van het bestralingsapparaat.
De twee vriendelijke laboranten helpen me op de behandeltafel. Ik moet op mijn rug liggen met mijn armen boven mijn hoofd in beugels, een hele opgave voor de geopereerde kant. Het kost mij echt moeite om mijn arm naar boven te tillen. Mijn arm en borst staan enorm op spanning. Alles wordt heel nauwkeurig ingesteld aan de hand van de kleine tatoeagepuntjes die eerder zijn gezet. Daarna verlaten ze de ruimte. Wat een stilte en wat voel ik me kwetsbaar in dat grote apparaat. Via de microfoon krijg ik de zogenaamde breath-hold instructies door, “adem diep in en door”, “adem diep in en door”, “adem diep in en houd de adem vast”. (Door diep in te ademen en mijn adem even vast te houden, komt mijn hart iets verder van de borstwand te liggen. Zo wordt mijn hart tijdens de bestraling zo goed mogelijk beschermd.)
Ik doe wat er wordt gevraagd, en weet dat het belangrijk is om stil te blijven liggen. Ondertussen zoeft het apparaat om me heen.
Dit gaat zo een paar herhalingen door. Na ongeveer tien minuten krijg ik te horen dat ik klaar ben. Mijn vriendin is inmiddels opgehaald en komt samen met de laboranten binnen. Ze wilde graag zien hoe het er in de bestralingsruimte uitziet en mag even komen kijken. Geduldig wordt haar verteld wat er net is gebeurd.
In het weekend ben ik erg moe, ik snap er niks van. Jan heeft altijd veel sneller door wat er aan de hand is “San, normaal zou je al anderhalve week bestraald zijn, je krijgt een hogere dosis”, “Oh ja dat is waar”.
Het lijkt alsof er weinig gebeurt, maar inwendig vindt er van alles plaats. Na de tweede dag bestraling is mijn borst heel rood en warm geworden. En aan de binnenkant voelt het alsof er een colonne mieren aan het marcheren zijn. Wat een kriebel en een jeuk. Ik app mijn vriendin die mij voor is gegaan. Zij hield aan het bestralen een bestralingslong over, dat kan dus ook nog. Ze appt terug en geeft aan dat zij ook zo’n jeuk had. Ik sluit mijn berichtje naar haar af met #jeuktiet.
Na dag drie is mijn borst nóg roder, warmer en er verschijnen rode bultjes. Ik krijg een tube Flamigel mee om te verkoelen. In mezelf moet ik erg lachen om het formaat. Hij is zo groot dat ik de hele straat kan voorzien van verkoelende gel.
Wat me opvalt, is dat mijn vriendinnen stuk voor stuk onder de indruk zijn als ze met me meegaan. Eén van hen zegt het heel mooi.
“Als je zegt dat je naar het ziekenhuis moet, klinkt dat heel anders dan wanneer je daadwerkelijk meegaat. Dan zit je in de wachtkamer tussen allemaal zieke mensen, zie je wat er gebeurt en besef je hoeveel tijd en energie dit traject je eigenlijk kost.” Die opmerking raakt me. Het voelt als erkenning.
Voor iedereen gaat het gewone leven verder. Maar als je in een oncologisch traject zit, bestaat het leven (vooral) uit afspraken, behandelingen en herstellen. Je krijgt een diagnose en vanaf die tijd staat het leven in het teken van beter worden en leef je soms in een parallelle wereld waar je snakt naar je oude leven.
Bij de vijfde, en dus mijn laatste bestraling, gaat Jan mee. Ook hij mag een kijkje nemen in de bestralingsruimte en tijdens het bestralen mag hij zelfs meekijken bij de laboranten op de schermen. Superfijn dat dat mag. En dan hoor ik voor de laatste keer door de microfoon “Je bent klaar”. Wat een heerlijk gevoel. Weer een hoofdstuk dat afgesloten kan worden.