Ga naar de content
Nieuws
Sandy's blog
Blog 25

Sandy over borstkanker – “Oh, ik zie het al. Je bent in je slagader geprikt. Ik ga even iemand halen.”

7 april 2026

Sandy van den Brink, eigenaresse van schoonheidssalon Silk Sand te Soest en de vrouw van radiomaker Jan Paparazzi, zit middenin haar behandeltraject voor borstkanker in het in borstkankerzorg gespecialiseerde Alexander Monro Ziekenhuis. 

In een openhartige blogreeks over haar traject, de zorg en het dagelijks leven, deelt Sandy haar ervaringen om ook anderen te steunen die met borstkanker te maken hebben. Lees het vijfentwintigste blog van Sandy hier:

Om half zeven gaat mijn wekker. Die heb ik bewust gezet, zodat ik nog even wat kan eten. Ik heb tot zeven uur de tijd omdat ik tot zes uur voor de PET-scan niks anders meer mag dan water of thee.

Hup, mijn bakje yoghurt en een extra broodje met pindakaas werk ik naar binnen. Het wordt een uitdaging om tot drie uur niks meer te eten. Ik eet normaal om de twee uur en ga ook nooit zonder eten de deur uit omdat ik vaak echt rillerig, misselijk en duizelig word van niet eten.

Dan gaat de telefoon. Het is de vriendelijke hematoloog. “Ik heb voor je geregeld dat je niet eerst naar het UMC hoeft, maar dat er in het ziekenhuis waar je de PET-scan laat maken, uit het infuus, gelijk bloedafname gedaan kan worden voor mijn onderzoek. Wauw, wat ontzettend aardig en meedenkend is deze dame. Echt zo blij met het nieuws. De afgelopen anderhalve week ben ik zo veel geprikt dat mijn handen en armen geen tijd hebben gehad om te herstellen. Ik ben echt bont en blauw en het is vreselijk gevoelig. Dus als er vandaag maar één keer een naald in mij gestoken wordt, is dat echt super.

Om half 1 melden Jan en ik ons bij het ziekenhuis waar de PET-scan wordt gemaakt. Daar zitten we weer, vier maanden later, op hetzelfde bankje in de wachtruimte. Een kwartier eerder dan de afspraak mogen we al meelopen.

Weer naar het kamertje met de groene tandartsstoel. Een vriendelijke verpleegkundige is op de hoogte van mijn angst en spreekt mij bemoedigend toe. “Ik ga eerst rustig kijken voordat ik prik.” Ze heeft een goede ader gevonden. “Wil je dat ik het zeg als ik prik?” “Nee hoor, prik maar,” zeg ik.

Au, weer zo scherp. Op een gegeven moment zegt de verpleegkundige: “Oh, ik ga even wat bewegen.” Ja hoor. Dat had ik al gevoeld.

Al die tijd denk ik dat ze al bezig is met het vullen van de 12 buisjes bloed die de hematoloog nodig heeft om mijn bloed raadsel op te lossen. “Ben je al bijna klaar?” vraag ik na een tijdje.

Nu blijkt dat ze nog geen druppel bloed heeft afgenomen en al die tijd bezig is geweest het infuus goed te plaatsen. “Nee, hij zit niet goed. Ik ga hem er weer uithalen.”

Inmiddels is er een half uur verstreken. Als ze weer wil gaan prikken, hoor ik mezelf zeggen: “Ik wil nu alleen nog maar met een echo geprikt worden.” Gelukkig begrijpt ze het en haalt een anesthesist.

Een aardige anesthesist komt erbij met een echoapparaat. Als hij met de echokop over mijn handen en armen gaat, ontdekt hij een wirwar aan aderen die niet recht, maar met allerlei bochten lopen. “Met jouw aderen heb je een indicatie om alleen nog maar met een echo geprikt te worden. Wij gaan het in ieder geval vermelden in ons systeem, mocht je hier nog eens geprikt worden.” Ik denk alleen maar ‘wat een prikkampioenen werken er in het Alexander Monro Ziekenhuis’.

Na wat speuren heeft hij een geschikte kandidaat gevonden en prikt het infuus aan, onder het toeziend oog van de eerste verpleegkundige. Als dit is gelukt, neemt hij afscheid. Vervolgens komt een andere verpleegkundige assisteren. Als alle buisjes gevuld zijn, verdwijnt verpleegkundige één met mijn bloed en gaat nummer twee verder met de voorbereiding van de PET-scan.

Hiervoor moet het infuus doorgespoeld worden, maar wat ze ook doet, het kreng lijkt verstopt te zitten. Alles wordt geprobeerd. Uiteindelijk ziet ze wat er aan de hand is. Het slangetje van het infuus is volgelopen met bloed en je ziet mijn hartslag vrolijk kloppen in het slangetje.

“Oh, ik zie het al. Je bent in je slagader geprikt.”
“Ik ga even iemand halen.”

De aardige anesthesist komt terug, dit keer met een collega. Ook verpleegkundige één komt weer terug. Inmiddels staan er vier witte jassen om mij heen die druk overleggen wat nu te doen. “Wat een pech heb je”.

De nieuwe meegekomen anesthesist bekijkt mijn handen en zegt: “Oh, ik zie een mooi vaatje. Mag ik nog één keer? Ik doe dit dagelijks, vertrouw me maar.”

“Oké,” zeg ik.

En voordat ik het weet prikt hij in mijn hand, overigens zonder echo.
“Au. Nee, dit ging niet goed.”
“Oh, ik heb door je vat heen geprikt.”

Ondertussen zit ik nog steeds met het kloppende infuus in mijn slagader en denk: lekker dan, ik moet hoe dan ook dat radioactieve spul in me krijgen voor de scan.

Gelukkig hebben ze een oplossing. Een contrastinjector, een paal met een klein kastje waar een slangetje aan zit, wordt aangesloten op mijn kloppende ellende. Vervolgens wordt op een knop gedrukt waardoor het radioactieve spul in mij loopt.

De anesthesist en de verpleegkundige kijken via de gang door de open deur mee of alles goed gaat. Dit wordt nog een keer herhaald. Als alles erin zit, kan het infuus gelukkig verwijderd worden. Met zijn tweeën bekommeren ze zich om mijn slagader. Deze wordt stevig dichtgedrukt en uiteindelijk met een drukverband verbonden.

Dan begint het grote stilliggen van een uur, om de radioactieve vloeistof door mijn hele lichaam te laten verspreiden. Ondertussen luister ik een podcast en na een uur mag ik dan eindelijk de scan in.

Tijdens de CT-scan mag Jan er niet bij zijn, maar omdat het langer duurde dan normaal, is hij erbij gehaald en mag hij tijdens de PET-scan aanwezig zijn.

Na afloop moeten we nog even plaatsnemen in de wachtkamer om te kijken of de scan gelukt is. Als dit het geval is, zou je normaal gesproken mogen gaan. Maar nu moet er nog even worden overlegd omdat er veel radioactieve vloeistof in mijn onderarm zit. Uiteindelijk krijg ik als advies; “Je arm zoveel mogelijk omhooghouden”. Dus als Libertas, beter bekend als het Vrijheidsbeeld, rij ik terug naar huis.

’s Avonds na het eten gaat mijn telefoon; het is de aardige hematoloog. “Ik bel voor de eerste bloeduitslagen. Ik ben positief, voorzichtig positief,” zegt zij.

Het lijkt erop dat de bloedafbraak aan het stabiliseren is en de bloedarmoede niet erger is geworden. In het UMC gaat een transfusieteam verder met onderzoeken, wordt mij verteld en als er meer duidelijk is zal ik worden gebeld.

Hè hè, eindelijk goed nieuws.
Nu nog een goede uitslag van de PET-scan.

Deel dit nieuwsartikel